Mechanisatie in de bollenteelt.

Handwerk in de bollenteelt.

Mechanisatie in de bollenteelt.
Handwerk in de bollenteelt

Tulpenteelt heeft zich, op wat kleinschalige initiatieven na, in Friesland pas na 1929 ontwikkeld. Goede prijzen en de aanwezigheid van de enthousiaste tuinbouwconsulent van der Slikke stimuleerde in die tijd veel kleinere akkerbouwers hun geluk te proberen in de tulpen.
De grootste kweker in 1929 is W. Bosch te Witmarsum, hij teelde 1,5 hectare deels voor eigen rekening en deels voor rekening van Van Kesteren in Hillegom.
In 1932 telde de pas opgerichte afdeling Friesland van de Algemeene Vereeniging voor bloembollencultuur 149 leden.
Mechanisatie was in de bloembollensector op dat moment nog vrijwel onbekend.
Spitten, planten, strodekken, rooien en sorteren gebeurde allemaal in handwerk.
In het boekje waarin Ir. C.M. van der Slikke de tulpenteelt beschrijft, begin jaren dertig, is een foto opgenomen waar alle hulpmiddelen voor de teelt in één foto zijn samengebracht:
Een plantraam met aan weerzijden een meetlat om het bed en pad uit te zetten. Een schop en een greep: blijkbaar om het hele bed uit te graven en gebaseerd op het overschieten zoals dat op de zandgronden in de traditionele bollengebieden werd gedaan.
Een schoffel en verder vooral gereedschappen voor de oogst: uitsteker ( een schop met een driehoekig profiel, zodat er op de knieën een rij gestoken kon worden), een meethoutje, een peltafel met pelmanden en kisten. Op de foto is nog een gesloten houten bewaarbak zichtbaar. Om de bollen beter te kunnen drogen was in 1924 de gaasbak geïntroduceerd. Die wordt in het boekje van Van der Slikke nog niet genoemd. De houten poterbakken in Friesland waren waarschijnlijk ook goed te gebruiken voor de wat dikkere maten. Bollenmanden zijn nog tot in de jaren zeventig gebruikt.
Bloembollen waren veel te gevoelig om machinaal verwerkt te kunnen worden. De gronden veel te kostbaar om door zwaar materiaal de structuur te verpesten. Voor zover de Friese boeren daarvan niet zelf waren overtuigd, kregen ze die informatie ook mee uit de traditionele teeltgebieden.

Sorteren met Friese machines

Toen na de Tweede Wereldoorlog de export van bollen weer op gang kwam kon het areaal groeien. De teelt kreeg tegelijkertijd te maken met stijgende lonen en minder belangstelling voor het werk in de agrarische sector. Dat stimuleerde vanaf die tijd het ontwikkelen van machines. De sorteermachines verschenen ver voor machinale plant- en rooimachines.
Het apparaat moest kunnen sorteren op (leverbare) bollenmaat en de huid mocht niet worden beschadigd. In de bollenteelt is sprake van een omtrekmaat: de zift. De sorteerplaten hebben dan ook ronde gaten. De eerste machines hadden geen motor: de schudbeweging moest worden opgewekt met behulp van een groot wiel dat men ronddraaide zoals een orgeldraaier dat ook doet.

Vanaf 1950 werd in Lisse als onderdeel van voorjaarsbolbloemententoonstelling Bloemlust een aparte show van machines gehouden.
Opvallende aanwezige was daar machinefabrikant S. de Vries uit Leeuwarden.
In het jubileumboek ter gelegenheid van 50 jaar Mechanisatiebeurs in 2000 wordt over De Vries geschreven:
Heel wat sorteerders voor het bollenvak kwamen aanvankelijk uit Friesland. Daar was erg veel kennis op het gebied van landbouwmechanisatie en één van de bedrijven die een vooraanstaande rol speelde was S. de Vries uit Leeuwarden. Vooral in de naoorlogse periode maakten machines die daar uit de fabriek kwamen en die een ombouw van beukenhout hadden, furore. Ze gingen als warme broodjes over de toonbank. Dat succes was mede te danken aan Euwe Kooi, een bollenkweker uit Vrouwenparochie. Hij was een man van de praktijk en speelde zijn ideetjes door aan fabrikant De Vries. Een en ander resulteerde onder meer in Kooi’s patent, in die jaren een absolute topper onder de bollensorteerders.
Toen de Vries voor het eerst met de sorteermachines op de mechanisatietentoonstelling kwam reageerden potentiële klanten aanvankelijk niet enthousiast. Men vreesde dat al dat geschud en geschok de bollen verre van goed zouden doen. Maar om aan te tonen dat er niet gevreesd hoefde te worden voor beschadigingen, liet men een machine draaien met op de zeefbladen niet alleen bloembollen, maar daarop ook een aantal eieren. Die belanden via de sorteergaten uiteindelijk ook in de manden en bleken op hun tocht geen schrammetje te hebben opgelopen. Overtuigender bewijs was niet te leveren en dat leidde dan ook direct tot orders. Een aantal jaren later was de naam Kooi van de machines verdwenen. Daar school een klein menselijk drama achter. De fabrikant en de kweker waren lijnrecht tegenover elkaar komen te staan omdat de twee het niet eens konden worden over de financiën. Kooi beriep zich op afspraken die met de fabrikant zouden zijn gemaakt over meedelen in de winst als de bollensorteerders (er was patent op aangevraagd en verkregen) een succes zouden worden. Een aantal opeenvolgende advocaten boog zich over deze pijnlijke kwestie die zich tientallen jaren heeft voortgesleept. De naam S. de Vries verdween op een gegeven moment van de machines en maakte plaats voor Hermes Landbouwmachinefabriek. Eind jaren zeventig zou het bedrijf ophouden te bestaan.

Het gebruik van ploegen, plant-, spuit- en rooimachines op het land en in de schuur de sorteermachine is in eerste instantie vaak afgeleid van de machines in de aardappelsector. Er kon natuurlijk gebruik worden gemaakt van de ervaringen in de aardappelteelt. Op de kleigronden kwam de mechanisatie mede daarom sneller op gang dan op de zandgronden.

December 2009
Dirk Osinga
Laatst gewijzigd op 20 augustus 2010