Argentinië; Reis met vee in 1921.

SS. Limburgia.

Argentinië; Deel 1, Reis met van R. Yetsinga met melkvee.

Uit het dagboek van Rinze Yetsinga.
Reis met vee naar Argentinië in de twintiger jaren.



89 jaar geleden ging Rinze Yetsinga (* 1898 - † 1973) uit Arum met vee per boot naar Argentinië. Drs. Joh. Lolkema uit Akkrum heeft uit het dagboek dat de heer Yetsinga bijgehouden heeft een serie van vier artikelen geschreven en gepubliceerd in het Fries Landbouwblad van 1, 8, 15 en 22 mei 1981. Vrij zeker is deze reis georganiseerd door het Fries fokveebureau dat in 1921 een inzending verzorgd heeft van een collectie Fries vee naar de melkveetentoonstelling in Buenos Aires .
De Leeuwarder Courant van 1 juni 1922 meldt daarover: Nadat 47 deelnemers een garantiefonds voor deze inzending gevormd hadden, werd een collectie samengesteld uit 2 oudere stieren, 6 enterstieren en 6 koeien, welke inzending te Buenos Aires goed voor den dag is gekomen. Ook werden er Spaanse en Engeltalige brochures verspreid. De financiële uitkomsten van deze inzending waren niet ongunstig; na aftrek der kosten bleef een voordelig saldo van ƒ 1.312,93 beschikbaar, dat onder de personen die het waarborgfonds gevormd hadden, verdeeld werd.

De reis naar Argentinië.

Eerst bijladen in Europese havens.
Het was donderdag 10 februari 1921 dat ik vertrok, vooraf van m'n ouders, familie en vrienden afscheid genomen. Vanaf Leeuwarden reisde ik met mijn patroon naar Amsterdam.
Vrijdag hebben we verbazend veel drukte gehad de papieren in orde te brengen, wat ons niet eens lukte.
Zaterdags om 8 uur waren we bij de loodsen om het vee te voeren. Kwart voor negen kwam mijn patroon (wie dat was weten we niet precies). Ik moest nog op de monsterrol om als scheepsman vervoerd te worden. Met een taxi werd ik naar de haven gebracht om bij het inladen van het vee te zijn. De koeien kwamen in een box en werden door een kraan aan boord gehesen. Ze kwamen als het ware in kasten te staan, die van voren half open waren. Mijn collega die ook vee aan boord had van Wesbonk (van de Fa. Wesbonk & Miedema) was nog in de stad om de papieren in orde te brengen, waar hij niets van af wist.
De boot vertrok om 12 uur. Mijn zwager stond aan de wal te zwaaien. M'n collega was nog niet aan boord en ik zat er over in alleen voor 30 stuks vee te staan. Maar gelukkig, in IJmuiden stond hij en ook mijn patroon die nog afscheid van mij nemen wilden. Om half vijf voeren wij de haven uit. Het weer was gunstig, toch voelde ik mij niet lekker, alles was zo vreemd. Ik mocht eten bij de officieren. Het eten dat we kregen was best.
Zondagmiddag werden we in de haven van Boulogne gesleept en lagen drie uur aan de wal. Toen zijn we eerst de stad in geweest, maar dit was niet zo veel bijzonders. Het was een verbazend vuile stad. Dezelfde middag vertrokken we weer. Het weer was buitengewoon mooi. Ons vee was zo gezond als een vis en we hadden dan ook plezier aan het voeren.
Dinsdag 15 februari zagen we anders niet dan water en zo nu en dan een schip.
Woensdag voeren we in de Golf van Biscaje. Er was nogal wat wind zodat we mooi op en neer gingen.
Donderdagsmorgens kregen we de bergen van Spanje te zien. Toen we ze eerst zagen was het net of er een bank in de lucht zat, maar toen we dichterbij kwamen konden we de huizen en de bergen wel zien. Het weer was nog mooi en de zon voelde al warm, zodat m'n collega en ik op het dek zaten om de bergen te bewonderen. Ze staken vele meters boven de zeespiegel uit, nu en dan konden we een huis of vuurtoren zien. In de zee zien we nu en dan eens een koppeltje ganzen.
Vrijdag 18 februari. 's Morgens om half zes begonnen met het vee te voeren. Het was nog aardig donker. Toen het licht werd konden we bergen van Portugal zien, ook 4 á 5 rotsen midden in de zee. Het was net of het schuren waren. We zouden in een haven aan geweest zijn maar vanwege stakingen zijn we doorgestoomd. 's Middags voeren we ongeveer 2 kilometer vanaf de Portugese kust. Prachtig gezicht was dat, die begroeide bossen. Nu en dan konden we schapen zien grazen. Om half drie gingen we de mond van de Taag in, we hadden intussen een loods aan boord gekregen. Na een uur waren we op de bestemde plaats. We bleven midden in de rivier voor anker liggen. We lagen er nog geen vijf minuten of ons schip was vol Portugezen die ansichtkaarten, sinaasappelen, enz. verkochten. We konden het met Hollands geld betalen, maar dan wel veel. De hele nacht tot één uur werd er door geladen. We sloten alles goed af, want Portugezen zijn niet eerlijk, We moesten wijn laden in kistjes, maar de heren lieten gauw enige kistjes stuk vallen en dronken de wijn lekker op.



De oversteek, passeren van de evenaar.

Zaterdagsmiddags om 3 uur vertrokken we. Vanuit Amsterdam was er stiekem iemand op het schip gegaan, die er nu weer af moest. Het was een magere jongen, die geen 105 pond woog. Hij zou proberen vanuit Lissabon op een schip te komen naar Zuid-Amerika. Om vier uur waren we in zee. Het weer was slecht met veel wind en veel regen. 's Avonds was het storm en ik had dan ook veel last van zeeziekte. M'n collega wist van niets, hij pruimde er maar op los en eten deed hij voor twee.
Nu hadden we veertien dagen voor de boeg, dat we anders niets zagen dan water. Het leven op het schip is eenzaam en vervelend. Gelukkig dat we onze beesten hadden te verzorgen. De kapitein en de stuurman toonden veel belangstelling voor het vee. Alle avonden was de kapitein bij het voeren aanwezig. En hij hielp ons dan ook best wanneer we kleden of de stallen veranderd wilden hebben. We hadden een timmerman aan boord die al die karweitjes opknapte, Het weer was verbazend mooi. Alle dagen merkten we dat het warmer werd, zodat de officieren al gauw in het wit liepen.
Donderdag 24 februari zouden we een groot passagiersschip passeren. We hadden draadloze telegrafie aan boord die gewaar kan worden dat het schip om half negen bij ons zou zijn. Er zou nu vuurwerk op het schip worden afgestoken, wat voor ons nieuw was. Jammer dat onze marconist een paar graden mis was en de Brabantia (zo heet dat passagiersschip) niet konden begroeten. Verder gebeurde er deze week niet veel bijzonders. Alle dagen anders niet dan water en vliegende vissen en soms een walvis of haai.
Woensdag 2 maart. We naderden nu de linie waar we 's avonds om 7 uur waren. Nu moesten we gedoopt worden. Maar omdat het nacht was stelden ze het uit tot de volgende morgen. Mijn vriend en ik waren aan het meel bakken en zagen nu en dan eens om ons heen, maar op een onverwacht ogenblik kregen we een emmer van de vuilste rommel over ons heen. We konden de stank niet uitstaan en gingen met de kleren aan onder de zout-water-slang om ons wat af te spoelen. De matrozen en officieren vermaakten zich er verbazend mee. Dit was een plicht zeiden ze: Anders kon men niet op het Zuidelijk halfrond leven. Hier kwam de God van de zee ook bij te pas, Neptunus, waar we een bewijs van kregen dat we gedoopt waren. Er waren nog vijf anderen die ook een mengsel van onaangenaamheden over zich heen kregen. Het was de hele dag feest aan boord. 's Avonds kregen we het liniemaal, wat verbazend lekker was. Wijn en alles was op de tafel aanwezig. Nou, zo'n feestje mag ook wel eens op een schip. De wereld is op een schip zo klein.
Dat deze ontgroening nog steeds in gebruik is blijkt uit een artikel in de Leeuwarder Courant van 19 januari 2010 waarin een artikel staat over het leven op de Hr.Ms. Evertsen die een tijdlang op patrouille geweest is in de Indische Oceaan: Als het schip de evenaar over vaart wordt de bemanning ingedeeld in trawanten (iedereen die al en keer de evenaar is overgevaren) en de baren (iedereen die dat nooit heeft meegemaakt). De baren worden dan ontgroend met een bad in gistend voedsel, waarna ze voor Neptunes moeten verschijnen en een nieuwe naam krijgen.

Havens in Zuid Amerika.

Zaterdag 5 maart kwamen we in Pernambuco aan. We kwamen weer midden in de rivier te liggen. Het was hier snikkend heet.
's Zondags zijn mijn collega en ik de stad in geweest. De stad zag er schoon uit. Vele trams en enorm veel auto's doorkruisten de straten. We zijn hier naar een badplaats (Olinda) geweest met de tram. Een eindje buiten de stad kregen we de nederzettingen van de negers. Verbazend kleine en bouwvallige huisjes met de bladeren van de cocospalmen bedekt. Het hoogste huis was niet meer dan 2,50 meter. De mensen die voor de deuren stonden zagen er nog wel aardig netjes uit. Op Olinda waren velen aan het baden. Iets vreemds voor ons om in maart te zwemmen. Hier kon men ook iets gebruiken. Limonade met ijs, wat zich in de warmte wel liet smaken. De wereld buiten lag er nog verwilderd heen. Hier en daar een mager koe of os en verbazend kleine paarden en ezels, die als trek- of lastdieren gebruikt werden. 's Avonds zijn we met een paar officieren naar het theater geweest. Prachtige muziek en zang kon men hier horen. Om 11 uur gaan we weer aan boord. De mensen spraken hier Portugees, waar we geen woord van konden verstaan. Dezelfde dag vertrokken we weer vanuit Pernambuco. Intussen hadden twee van mijn koeien gekalfd. De kalfjes waren klein en teer en er stierf dan al spoedig één, die natuurlijk voor de haaien was. De officieren waren allen aanwezig bij het kalveren. Ze konden maar niet begrijpen dat er zo'n groot kalf uit kon komen en dat het met een uur op zijn benen stond.
Woensdagmorgen kwamen we in Babie aan. We bleven weer voor anker liggen en konden daardoor niet aan wal komen. De stad was gebouwd op heuvelachtig terrein. De huizen waren allen licht van kleur en kregen daardoor een goed aanzien. 's Avonds om elf uur vertrokken we weer.
Na vier dagen varen kwamen we zondagmorgen 13 maart in Rio Janeira aan. Dit is iets moois. Prachtige bergen en een ruime haven door de natuur gevormd en de stad was geheel om de haven heen gebouwd. 's Middags ben ik met twee officieren de stad in geweest. Een prachtige rijk gebouwde stad met mooie straten. We zijn naar één van de hoogste bergen geweest (Poa Aczucar), het Suikerbrood. Hier ga je met een elektrische tram heen die aan een sterke kabel hangt. De berg steekt ongeveer 500 meter boven de zeespiegel. Vanaf de berg een prachtig gezicht over de stad en de zee. Boven op de top was gelegenheid een glaasje bier te drinken. We hebben daar met z'n drieën een poosje gezeten en genoten van de schone natuur. Weer naar beneden met de tram, wat in 10 minuten afgelopen was. We kwamen ongeveer half zes thuis.
Maandagsavonds zijn we naar 'Bioscoop Theater' geweest. Een prachtig gebouw met mooie muziek. Om elf uur waren we weer aan boord.
Vrijdagsavonds (18 maart) vertrokken we en na vier en een halve dag varen (22 maart) kwamen we in Monte Video , waar we weer drie dagen lagen (t.e.m.25 maart). Dit is ook een grote stad waar alle dagen grote stoomschepen binnen komen die op Buenos-Aires (hoofdstad van Argentinië) varen.
Dezelfde dag 2 maart vertrokken we van deze plaats en kwamen zondagsmorgens (dit moet 27 maart geweest zijn) op de ree van Buenos-Aires te liggen, waar we op onze papieren moesten wachten. Intussen had ik vier dode kalveren gevangen , zodat ik verlangde aan de wal te zijn. De papieren van de andere firma waren direct in orde maar de mijne niet.
Hier hebben we tot dinsdagmorgen (29 maart) gelegen toen ons een klein sleepbootje ons verraste met de papieren. Dadelijk gingen we naar binnen en na ongeveer een uur varen kwamen we het dok binnen. Hier lagen enorm veel schepen van allerlei naties. We kwamen aan de wal te liggen en het vee werd dadelijk gelost. Nu niet doormiddel van een box, maar ze liepen er af. Dit ging alles nog al vlug. Mijn baas was er om de beesten in ontvangst te nemen. Het klein maar pienter kereltje. Hij was een kapitein uit het leger. Nu hier was hij niet beter om, want hij behandelde het volk net zoals de soldaten en ik kon me dan ook helemaal zelf redden. Ik kon ook maar enkele woorden met hem spreken. Hij gaf me een brief voor een hotel, waar ik me met een taxi heen liet rijden. Dat was een duur zaakje. Het kostte alleen aan slapen al 4 gulden per dag.
De volgende morgen om half zes ging ik naar de koeien, welke in mooie ruime stallen stonden. Maar naar mijn oordeel toch onpraktisch. M'n knecht en ik molken ze, maar verder mochten we er niets aan doen. We hadden het dus op ons duimpjes. Overdag gingen we maar eens in een tram zitten. Dit is een pracht van een stad en enorm druk Toch laat alles zich gemakkelijk vinden. Alle straten zijn bijna recht. We liepen zo nu en dan ook wel eens in de mooiste straten om het prachtige gereedschap (ploegen, maaimachines, enz.) te bezichtigen. We vlogen vaak tegen iemand aan want het is in Buenos-Aires de gewoonte om links te houden wat eerst best lastig was. Ze vloekten zo nu en dan ook wel eens.



Totaal heeft de reis vanaf IJmuiden dan 47 dagen geduurd.



Tot zover het eerste deel van dit reisverslag. Over ongeveer een week volgen Yetsinga's belevenis op de boerderij en zijn verhaal over de melkveetentoonstelling in mei 1921.




Argentinië; Deel 2, Werken op een estancia (boerderij)

In het eerste deel is de heenreis van de heer R.Yetsinga besproken met een veetransport in 1921 naar Argentinië. In dit tweede deel worden zijn dagboekverhalen afgedrukt over het verblijf op een boerderij waar hij gewerkt heeft. Vanwege de slechte behandeling is hij daar eerder vertrokken dan aanvankelijk de bedoeling was.



Naar de boerderij.



Toen ik tien dagen in stad geweest was wou ik wel naar de boerderij toe, want ik verkeerde hier meestal bij m'n collega en dan leerde ik het Spaans nooit. Ik vroeg mijn patroon naar de boerderij te mogen gaan, wat in orde was. Ik ging naar het kantoor waar Nieri (zo heette mijn patroon) aanwezig was. Hij zei mij 'Goede morgen'. Het was 11 uur. En om vier uur stapte ik nog bij het kantoor om, want er werd mij niets gezegd of gewezen. Om 4 uur kwam Nieri weer op het kantoor: Ik vroeg hem naar m'n kamer. Een knecht kreeg ik mee, die mij wees. Nu had ik wel gedacht dat ik niet in een deftig huis kwam, maar niet dat ik in zo 'n hok kwam. Thuis zouden ze er varkens in jagen. Ik ging weer naar het kantoor en zei tegen Nieri dat niet genoegen nam met zo 'n hok en dat ik weer naar Buenos-Aires terug ging. Hier was hij verbazend kwaad om, en kwam de volgende dag in Buenos-Airtes om mij te betalen, dan kon ik weer terug gaan. Ik had een adres van m'n firma mee gekregen van een Fries die goed Spaans kon spreken. Daar ging ik heen. Die heeft het zaakje weer wat in orde gepraat en kon ik weer naar de boerderij gaan en in het hok wonen.
Toen ik er 's avonds eerst in zat was ik mismoedig en had ik soms heimwee. Want thuis was alles anders. Maar gelukkig had ik bezigheid, dat wat afleidde en ik legde mij geheel toe op het Spaans. Ik was nu vanaf de eerste dag besloten als m'n halfjaar om was weer te vertrekken. Een half jaar was ook genoeg in zo 'n hok. Van eten en drinken had ik het uitstekend. Altijd twee soorten vlees, eieren en iets uit de ijskast er na.
De boerderij was enorm groot en geld is niet gespaard voor de inrichting. Een prachtige villa die midden in een mooie tuin staat waar veel vruchten in groeien zoals sinaasappels en vele andere. Op de rand van de tuin is het kantoor waar de hele dag een klerk aanwezig is. Daar achter een renstal en zijdelings meer renstallen. Er zijn ongeveer 300 paarden, waarvan 70 renpaarden. Dit waren alle fijngebouwde dieren, met mooie koppen. Iedere morgen moesten al die dieren stappen en soms oefenen. Dit ging verbazend hard. De andere paarden waren voor de rijtuigen en het werk en ook wel die alleen in de weide waren. Het was een aardig gezicht wanneer ze de 4-jarige paarden, die nog nooit in de handen geweest waren, dresseerden. Ze werden in een kleine kamp gejaagd, die met sterke palen omheind was en werden ze gevangen in een lasso. Dan deden ze natuurlijk rare sprongen, maar los en stuk was geen sprake. Dan kregen ze een helter aan, een verbazend sterke. Dan werden ze aan een paal gebonden en eerst flink afgeranseld dat het dier natuurlijk geen droog plekje meer aan zich had. Zo werden ze allen behandeld en bleven zo hier een nacht aan de paal staan. De volgende morgen kregen ze één voor één hun dressuur wat niet zacht toe ging. Maar ze verloren het alle. De mensen zijn het hier zo gewend.
Ook de stieren werden reusachtig wreed behandeld. Alle dagen nemen ze een vast aantal onderhanden, namelijk 100. Deze worden allen op één wijze behandeld. Eerst worden ze, gelijk als de paarden, in een kamp gedreven en vervolgens in een lasso gevangen en tegen de aarde geworpen. Vier mensen springen er dan boven op, om het dier vast te houden. Een ander heeft een groot mes, waar hij de ballen er mee afsnijd, weer een ander heeft een werktuig waar hij de hoorns bij de kop afsnijdt en dan is er nog één die ze het brandmerk geeft. Dan is de mishandeling afgelopen. Ze laten het dier los en dit gaat overeind; dan is het net of het dier beschonken is, Vaak breekt er bij de behandeling een been, maar het dier wordt even goed mee naar de kamp gedreven als de anderen. Dit gaat niet stapje voor stapje, maar twee cowboys achter op hun paarden en gaat in galop. Ook ging dit zo, wanneer een Amerikaan m'n koeien ophaalde. Hij stapte op het paard en in volle draf haalde hij de koeien op. De dieren gaven zo 'n avond aanzienlijk minder melk.



De Friese koeien zagen er anders nog goed uit. Ze kregen veel krachtvoer, alle avonden en 's morgens werden ze in de stal gehaald om te melken en kregen dan hun voer. Dat was haver plus zemels plus maïs en linoen chils (chils is gemalen ingekuilde maïs). Ieder ongeveer 10 kilo per dag. Weilanden zijn er niet veel. Gras is verbazend grof en heeft grote stekels. Gras groeit er eigenlijk niet, het gelijkt veel op wikken. Ik geloof niet dat een grasmengsel uit Friesland hier succes zal hebben. De zon is hier verbazend heet en schijnt haast alle dagen met volle kracht. Dit is ook een grote plaag voor het Friese vee en dan die vliegen en muskieten die er in zwermen zijn, en natuurlijk bij dier en mens willen zijn. Ik had er dan ook veel last mee.
Ook hadden we op de boerderij een zuivelfabriekje, waar ik alle morgens met de melk naar toe ging. Ik draaide melk door een centrifuge en nam de droge melk mee terug voor de kalveren. De verdere bewerking deed een Duitser, die een slechte kerel was. Hij smeerde zijn schoenen en ander lederwerk altijd met boter in en at niet brood met boter, maar boter met brood. Overdag had ik het niet druk en ging dan vaak op het zadelpaard zitten en reed de wijde wereld in. Het paard is op het platteland, hetgeen de fiets bij ons is. De wegen zijn niet geschikt voor fietsen en motoren. Ik zocht dan meest de grootste koppels koeien op waar de kalveren alle bij liepen. Dit was een ras voor de vleesproductie. Vaak vond ik dan een dode koe of stier, deze werd er niet weggehaald, dit was een prooi der roofvogels die er in grote zwermen rond vlogen. Kwam men een week later weer bij de dode koe, dan was alles weg op de beenderen na. Ook vond ik vaak een dood paard of schaap, die onderging dezelfde bewerking.



Ook ben ik een paar maal aan het vissen geweest in een riviertje die ongeveer 25 kilometer van de estancia af was. Hier zat veel vis in met lange sprieten op de kop. Maar je kon er niet een ogenblik zitten, want de vliegen en muskieten staken je aan bloed. Ik reed dan het ruime veld door en weer terug. Dan zag je ook wel patrijzen, die alle één voor één opkwamen, en enkel een haas, die meest in de maïsvelden leven. Hier waren veel maïsvelden die door de sprinkhanen geheel verwoest waren. Het veld had dan een doods aanzien en was natuurlijk geheel waardeloos. 's Avonds om half zes was ik klaar met m'n werk en ging dan eerst een kopje thee drinken, en wandelde daarna vaak de tuin door, waar sinaasappelen en vele andere vruchten in grote getale aan de bomen hingen, tot zolang het donker was, dit was ongeveer half zeven. Daarna ging ik aan het Spaans leren. De bedienden lazen het mij dan voor en ik probeerde het te begrijpen. Het leerde dan ook al gauw wat. Ze lachten me wel eens uit om de uitspraak en de zinsindeling, maar ik kan me dan toch maar duidelijk maken.



Mijn patroon en ik konden slecht. Wanneer ik met hem sprak en ik het de eerste maal niet begreep, begon hij dadelijk te vloeken, terwijl men altijd tweemaal iets tegen hem kon zeggen door z'n hardhorigheid. De eerste mei werd ik uitbetaald, waar hij me slecht mee behandelde. Ik ontging 100 gulden te min.



's Maandags kwam Kuperus (vrij zeker is di de heer K.N. Kuperus uit Marssum) die ik alles vertelde. Ik heb hem mijn plaats laten zien. Hij zei mij te zullen helpen. Hij sprak er met Nieri over of hij geen betere plaats voor mij had. De volgende morgen kwam Kuperus bij mij in de stal en vertelde dat Nieri mij wel wilde slijten. Kuperus zei dat het beste was dat ik maar weg ging want hij kon mij toch geen goede behandeling geven. Nu dan nam ik het maar aan en zou dan met de eerste gelegenheid weg. Deze was 21 mei met de Limburgia .
De vierde mei moest ik naar de tentoonstelling die de vijfde zou beginnen. Ons vee was reeds op de tentoonstelling. Het terrein was keurig en rijk ingericht. Allemaal vaste gebouwen en in het midden een plaats omheind met een heg en tribunes. Hier werd het vee gekeurd en moest het nu en dan lopen voor het publiek. De tentoonstelling werd echter uitgesteld tot 17 mei. We bleven er zolang en er werd natuurlijk goed geprepareerd voor de melkwedstrijd.


Argentinië; Deel 3, Melkveetentoonstelling en terugreis.

Naar de tentoonstelling.



Het vee wat er door het Fokvee-bureau was heen gestuurd was nog steeds in de observatiestal, daaraan zat een luchtje. Er waren enige mensen die dat vee niet op de tentoonstelling wilden hebben., want dit vee zou alles verslaan en dat moest niet. Er werd natuurlijk zo hard mogelijk aan gewerkt om ze er wel te krijgen, maar ook van de contra-zijde werd hard gewerkt. Mijn patroon had tegen Anema (dit was de persoon die het vee verzorgd) gezegd dat hij wel zou zorgen dat het vee op de tentoonstelling kwam. Wat hem niet gelukte maar toch ook wel enig succes had. Er kwamen namelijk stieren en koeien te laat op de keuring en ze werden geweigerd, M'n patroon was er natuurlijk wat mee ingenomen.
Ze kwamen de 17e mei op de tentoonstelling en de melkwedstrijd was de vijftiende begonnen. Van prepareren was natuurlijk geen sprake. In de observatiestal mocht men ze niet voeren en de andere behandelingen doen. Ze mochten ze alleen melken. We kregen genoeg voer maar zeer onregelmatig. 's Morgens om 7 - 9 uur en 's avonds 3 - 5 uur. In die tijd moesten ze ook twee maal gemolken worden, wat dus ook zeer slecht was. Ook het drinken geven was soms heel slecht. Het kwam wel voor dat koeien 's morgens 10 uur hun eerste drinken kregen of lieten ze alleen het geluid voor drinken goed horen. Vaak gaven Anema en Hoitenga , die vaak voor zessen al in de stal waren, ze eerst te drinken, maar zodra het volk kwam moesten ze ophouden. Ook werden ze heel vaak op tuberculose ingespoten. We zagen dat het vast 4 keer gebeurd is in oog en huid, totdat de laatste dag de koe die het meeste gaf enige etter in het oog had. Ik wil nu niet zeggen dat die koe goed was, en ook reageerde één van de beste enterstieren; welke beide koeien moesten worden afgemaakt, en toch was die stier de volgende morgen op de tentoonstelling aanwezig en de koe moest nu eerst nog 30 dagen in observatie.
Het vee van het Fokvee-bureau kwam dan op de zeventiende mei op de tentoonstelling op de dag van de keuring. Ze werden in een wagen door de hele stad gereden, ongeveer twee uur. De koeien kwamen eerst, waar nog drie van gekeurd konden worden, de anderen waren te laat en werden teruggestuurd. De gekeurde verwierven alle eerste prijzen voor type. Ook m'n patroon zijn vee kreeg drie eerste prijzen en drie tweede. Zopas schreef ik dat de melkwedstrijd de vijftiende mei was begonnen. Dat duurde vijf dagen en ging naar mijn oordeel zuiver toe. Alleen mocht men 's morgens niet bij het vee wachten, maar er stonden vele ambtenaren op wacht. 's Morgen om zes uur en 's avonds om zes uur begonnen we te melken. Achter iedere koe stond een melkbus met een nummer van de koe er op en achter iedere koe stond een controleur. Wanneer de koe gemolken was goot hij de emmer in de bus en ging er mee naar de weger. Bij het wegen mocht men er zelf ook bij zijn en men kon dus zelf zien hoeveel kilogram de koe had. Ook werd natuurlijk het vet-procent onderzocht. De koeien van het Fokvee bureau begonnen dus later met de melkwedstrijd maar werden evengoed vijf dagen onderzocht.
De vier rieren gaven het volgende in vijf dagen tijds:
75 kilogram melk - eerste prijs;
67 kilogram melk - tweede prijs;
57 kilogram melk en
54 kilogram melk.
De koeien van het Fokvee-bureau gaven in vijf dagen het volgende (het is nodig dat hier vermeld word dat de beesten in normale conditie waren):
132,9 kilogram melk met 5,2 kilogram boter
127,3 kilogram melk
122,9 kilogram melk met 4,339 kilogram boter
totaal 383,1 kilogram melk.
De Noord-Amerikaanse koeien gaven
157,9 kilogram melk met 5,921 kilogram boter
125 kilogram melk
119,7 kilogram melk met 3,878 kilogram boter
totaal 396,6 kilogram.
Uit de lijstjes blijkt dat de Friese koeien het hebben verloren met de kilogrammen melk, maar gewonnen met de kilogrammen boter.
Met het drietal werd ons vee dus winnaar, waar een mooie zilveren beker bij hoorde. Dit was de mooiste prijs zei mijnheer Bakhoven , die alle avonden en de ganse dag bij het vee van het Fokvee-bureau aanwezig was. En naar mijn oordeel zoveel moeite gedaan heeft om reclame te maken voor ons vee als mogelijk is. Ons vee trok verreweg de meeste aandacht. Voor exterieur was er niet één ras die op onze koeien geleek, wat de eerste prijzen ook wel aanduidt. Er waren ook wel veel liefhebber om te kopen. Men behoeft dan geen handelsman te zijn. Ze werden allen verboelgoed, waar een apart gebouw voor gebouwd was. In het midden van dat gebouw is er plaats waar de koe tijdens de verkoping in rond loopt, zodat ieder ze kan zien. Dan wordt hij bij opbod verkocht.
Er wordt niet geroepen van ja of mijn, er wordt alleen geknikt en geknipoogd, wat de oproeper natuurlijk goed verstaat. Er waren niet zo heel veel mensen bij de verkoop. Deze was op de 23ste en 24ste mei. Voor onze koeien en stieren werden de volgende prijzen geboden: Stier Wilson 7.500 dollar en koe 5.200 dollar. Al de koeien en stieren werden door mijnheer Wallen ingehouden. Ook werden de andere stieren verkocht die ongeveer 500 tot 1000 dollar opbrachten. Er was veel gekruist met Hollands vee, waar ze daar een apart stamboek voor hebben. Dit noemen ze Half-Bloed. Hier waren wel goede stieren bij. Ook het Yersey-vee, waren lieve koeien en brachten ook aardig wat boter op, namelijk 75 kilogram melk met 5,5 procent vet. De andere rassen kwamen lang niet aan die cijfers toe. Er was ook niet veel vee. Veel was wel ingeschreven maar niet gekomen.
Er was ook een tentoonstelling van verschillende installaties voor boter- en kaasbereiding. Dit was niet zo groot als bij ons. Dit waren installaties die op de Estancia's gebruikt moesten worden. Ze werden allen gedreven door een motor. De één door gas-motor een ander door petroleum. Deze installaties werkten allen de hele dag en ieder kon zien op welke wijze de installaties werkten. Ook waren er installaties voor electrisch licht tentoongesteld voor de Estancia's en verschillende merken chocolade van melk bereid. Ook was er Hollands aardewerk (Delfts en Leids) aanwezig. Boven stond geschreven Bond van Friese Zuivel Export Leeuwarden. Ook zou er kaas van ons komen, maar deze kwam ten eerste te laat en ten tweede waren ze niet goed meer.



Vertrek uit Buenos Aires.

Dinsdags ben ik opgehouden en donderdag 26 mei ging de boot. Nu trof ik het helemaal want 25 en 26 mei zijn twee grote feestdagen in Buenos Aires. Dit zijn de dagen dat ze van Spanje afgerukt zijn. Deze dagen worden alle jaren feestelijk herdacht. De hele dag marcheerden er vele soldaten in prachtige uniformen door de straten en 's avonds was de hele Plaza de Mayo met ontelbare lichten van verschillende kleuren verlicht. Al de huizen en torens waren behangen met lichten, wat een prachtig gezicht was. Zo iets kan men niet beschrijven of vertellen. Zulks moet men zien. Duizenden mensen en veel muziek. Ook ben ik vaak naar een bioscoop of circus geweest waar ik avonden gezellig doorbracht. Ook de dierentuin, kerkhof en Japanse tuin zijn de moeite wel waard te zien.
Ik trof het niet zo best met m'n inkopen want alle winkels waren 25 en 26 mei gesloten, alleen zeer kleine winkels waren open. Argentinië is een afzetterland. Als men iets koopt moet men altijd minder bieden dan de mensen vragen en ze laten dan al gauw wat vallen. Wat bij ons niet zo is. Men krijgt dus dan alles zeer duur. Ik heb dan ook bijna niets gekocht. Maar toch raakte ik veel centen kwijt. En mijn patroon behandelde mij ook slecht. Hij rekende op die dag af.
Donderdag 26 mei 's middags half vier vertrok ik weer met de Limburgia , ook ging Kuperus mee. Het was eigenlijk tegen m'n zin, maar het was toch beter dat ik daar niet bleef. Er waren enorm veel mensen bij het vertrek. Het weer was mooi. De andere morgen zes uur kwamen we in Montevideo aan waar enige passagiers aan boord kwamen. Ik reisde tweede klas. Onze hut was klein. Ze was 2 meter lang, 2,5 meter hoog en 1.80 meter breed waar 4 mensen in sliepen, 3 Duitsers en ik.
Zondagmiddag 12 uur kwamen we in Santos, dit was een prachtige invaart. 's Middags ben ik even de stad in geweest. Dit was niet veel bijzonders. De straten waren slecht maar toch heb ik er van genoten. Er was namelijk een katholiek feest waar allerlei vreemde manieren en costuums waren te zien.
's Maandags om vier uur vertrokken we weer. Een uur voor die tijd was er ook een groot schip vertrokken, een Engels schip. Deze maatschappij was een concurrent van de Hollandse Loyd en dit ging nu tegen elkaar wie eerst in Santos was. Toen we uit de haven stoomden konden we het schip nog juist zien en een ieder zei dat we het niet meer haalden. Maar toen we de andere morgen van bed kwamen was ze juist op zijde en nog een uur en we zouden in Rio zijn. Nu mocht onze boot gelukkig de leiding nemen en we stoomden eerst de haven van Rio binnen. Dit was een groot succes.
Onze boot liep eens op een dag 440 mijl. Om acht uur lagen we aan de wal. Ik ging de stad in met andere landgenoten. We zijn samen op de hoogste bergtop geweest, waar me met de landtram heen gebracht werden. Vanaf de bergtop hadden we een prachtig panorama over de stad en zee. We dronken er een glaasje bier en gingen daarna weer terug. We wandelden nog even in de stad en kochten enige kaarten van Rio en waren om half één weer aan boord. De boot vertrok om vier uur, er waren veel passagiers bijgekomen, ook in onze klasse. Het werd vreselijk heet in de boot, zodat velen aan dek sliepen. Gelukkig was de schrijver van de boot een Fries die mij in het Fries aansprak en we werden grote vrienden. Het was één uit Franeker (van der Schaaf) een echte kaatsliefhebber, waar ik hem veel van vertelde en hij genoot, zo hij zelden deed. Hij had een grote frisse hut en had de goedheid mij bij hem in de hut te laten slapen. Waarmee hij me een grote dienst bewees.
Donderdagmiddag half twee passeerden de Brabantia , dit schip is van dezelfde Company. We voeren elkander zo dicht mogelijk voorbij. Iedere boot liet driemaal hun doffe geluid horen, wat vaarwel betekende. De passagiers wuifden elkander toe en een groot gejuich ging op toen ze naast elkaar waren.
We hadden ondertussen erge zieken aan boord gekregen. Ze leden aan een besmettelijke ziekte. De Spaanse griep, zei de schrijver, maar niemand mocht het weten. Eén in onze klasse had het zo erg dat hij in het hospitaal moest, waar hij na 24 uur overleed. De man moest in zee, want ze mochten geen lijken aan boord houden. Dit gebeurde in de nacht van vrijdag op zaterdag om één uur. Ik wilde het ook zien, maar ik heb me op het laatste moment, toen het touw stuk gehakt werd, verwijderd. Het lijk was in een kist waar veel zink bijzat. Vier mensen droegen ze naar achteren. De kapitein, de eerste officier, de dokter en de assistent dokter, de verpleegster en de kalfmeester waren er van het personeel aanwezig. Het sein werd gegeven dat de schroeven moesten stoppen. Dit gebeurde. Een pastoor die er ook bij was sprak een ogenblik en daarna werd de kist langzaam in het water gelaten. Toen heb ik me verwijderd en hoorde even daarna een plons in het water en weer enige ogenblikken later draaiden de schroeven weer en hadden gauw volle gang. Dit is iets vreselijks op zee. Maar aan boord kan men er niets van merken. Ieder zingt en fluit zijn deuntje, alleen de muziek mag overdag niet spelen.
Zaterdag op zondag 10 juni kwamen we in Las Palmas aan. We kwamen niet aan de kaai te liggen zodat wel een honderdtal bootjes met allerlei artikelen, zoals linnen, porselein en veel vruchten naar ons toekwamen. Dit was een leuk gezicht. De passagiers kregen de gelegenheid om aan wal te gaan. Ik ben ook even aan de wal geweest en een eindje met de tram gereden. De stad was niet veel bijzonders en ik keerde dan ook tamelijk vlug terug. Om vier uur vertrokken we weer en kwamen zondagsmiddags twaalf uur in Lissabon. De binnenkomst was moeilijk door de zware mist. Verscheidene gingen de stad in maar keerden vlug terug want dit is net zo'n vuile stad met slechte straten.
's Avonds om zes uur vertrokken we naar Vigro. De mist was in die tijd opgetrokken en met volle gang ging het op Vigro aan. Maar na een uur hing er weer een zware mist over het water en stoomden we op halve kracht verder. Telkens om de vijf minuten liet de boot een dof geluid horen. Die nacht kwamen we het stoomschip Geluia ook voorbij, deze was natuurlijk niet zichtbaar. De andere morgen om twaalf uur hielden we op met varen, want de mist was te zwaar. We wachten een paar uur tot de mist op trok. En tot ieders grote verwondering lagen we niet verder dan twee miles van een rots af. Toen de mist goed opgetrokken was, voeren we weer verder en na een uur waren we in Vigro. Dit is ook een mooi gezicht. Dit is een haven door de natuur gevormd en de stad is op bergachtig terrein gebouwd. Hier gingen veel passagiers van boot. Alleen in onze klas al 65, tezamen ongeveer 500. 's Avonds om zeven uur vertrokken we weer. We moesten nu hard opstomen om op tijd in Plymouth te zijn. Alles werd er op gezet en het liep best. Het weer was nu goed helder. De volgende morgen om half vier lagen we in de haven van Plymouth waar we ongeveer 1½ uur stil lagen en stoomden langs de Engelse kust op Boulogne aan, waar we 's avonds kwart voor zeven waren. Een bootje van de Maatschappij haalde passagiers er af en om tien uur vetrokken we weer.



Dit zou de laatste nacht op de Limburgia worden. We lagen de volgende morgen om tien uur voor Ijmuiden. Ik telegrafeerde naar m'n zuster in Amsterdam dat ik op de Limburgia was. Niemand wist dat ik zo haastig terug zou komen en m'n zuster was vreselijk in de war. Om vier uur lagen we aan de kaai in Amsterdam en half vijf was ik bij m'n zuster die natuurlijk blij was. Hier ben ik een paar dagen gebleven en de 23ste juni arriveerde ik weer op het aloude Welgelegen , waar ze ook erg op schik waren dat ik vlug thuis was gekomen, wat me zelf speet, voor mijn toekomst.


Argentinië; Deel 4: Verslag tentoonstelling

Het Friesche vee op de internationale melkveetentoonstelling in Argentinië.
Door H.L.B. (Friesch Landbouwblad nr 37, 17 september 1921.



Een deel van dit verslag wordt in z'n geheel overgenomen.



Deze tweede internationale melkveetentoonstelling in Argentinië werd georganiseerde door de Sociedad Rural Argentina en had plaats te Palermo in de onmiddellijke nabijheid van de stad Buenos Aires. Oorspronkelijk was het plan de tentoonstelling op 8 mei te openen, verschillende omstandigheden echter maakten het nodig haar uit te stellen , zoo waren de installaties van de zuivelafdeeling op 8 mei nog niet klaar, terwijl ook een deel van het uit Friesland geëxporteerde vee nog in quarantaine stond. De tentoonstelling werd ten slotte op 22 mei geopend, terwijl, in verband met het uitstel, de duur van de tentoonstelling van 3 eken op 10 dagen werd gebracht.
Drie zendingen Friesch vee kwamen voor deze tentoonstelling in aanmerking. Namelijk een zending voor den heer Villarino, verzonden door de heeren Wesbonk en Miedema. Een tweede inzending voor den heer Villarino, waarvan de firma Kuperus de aankoopster geweest was en tenslotte de zending van een combinatie uit het Friesch Fokvee-bureau. Zooals den lezers meerendeels bekend zal zijn, was deze zending in het bijzonder voor reclame bij elkaar gebracht. Zij werd reeds in Friesland verkocht aan den heer E. Waller, onder voorwaarde dat de dieren tentoongesteld zouden worden onder de naam van het Fokvee-bureau en dat zij na afloop van den tentoonstelling gedeeltelijk publiek verkocht zouden worden.
Niettegenstaande de toezegging van een tiendaagsche quarantaine, moest al het Nederlandsche vee wederom een quarantaine van 30 dagen doormaken. Van het vijftigtal Friesche dieren moesten er twee worden afgemaakt, die de positieve oogreactie vertoonden. Een zeer bevredigend resultaat!
Zeer was het echter te betreuren, dat het vee van het Friesch Fokvee-bureau zoo ernstig geleden had van de zeereis, tengevolge van de ondoelmatige plaatsing aan boord van de “Salland'. Gelukkig waren de quarantainestallen goed ingericht en herstelde het vee zich langzamerhand. Wanneer men echter bedenkt dat de oppassers slechts tweemaal per dag, gedurende korten tijd werden toegelaten, dan begrijpt men wel dat de verzorging noodgedwongen niet zo kan zijn, als voor de wedstrijddieren noodzakelijk geacht moet worden. Twee dagen voor de officieele opening van de tentoonstelling had de keuring plaats, die verricht werd door een Franschen, een Argentijnschen en een Nederlandschen keurmeester.
Het aantal dieren in de verschillende rubrieken bleek niet groot te zijn. Verschillende omstandigheden hebben er toe bijgedragen dat deze tentoonstelling niet die belangstelling genoot, die men redelijkerwijs had mogen verwachten. De dreigende veepest in Brazilië, het heerschende Mond- en Klauwzeer en zeker de algemene malaise in het veehouderijbedrijf in verband met de sterke daling de veeprijzen, waren alle factoren die hiertoe bijdroegen. Daarbij komt nog dat uit den aard van de zaak voor een melkveetentoonstelling in dit land nog lang niet die belangstelling bestaat als voor een tentoonstelling voor vleeschvee. Bovendien konden verschillende landen geen vee naar Argentinië zenden of werd het gezonden vee niet binnen gelaten. Dit laatste was het geval met Zwitserland. Noord-Amerika zond zelf geen vee maar wel waren eenige door den heer Genoud van daar geïmporteerde dieren aanwezig. Nederland kwam in verhouding tot andere landen met een flink aantal dieren uit, immers op de tentoonstelling waren 34 Friesche dieren geplaatst.
De jonge stieren van het Friesch Fokvee-bureau kwamen te laat op het terrein om gekeurde te kunnen worden. Vertegenwoordig waren de volgende rassen: Shorthorn, Red Polled, Jersey, Normandiërs, Freiburgers, Hollandsch Friesch, variëteiten van Hollandsch Friesch en Guernsey's. Zeer belangrijk voor ons land is het feit dat het Hollandsch vee afzonderlijk geplaatst wordt naast de variëteiten, waaronder Holstein-Friesians, Jeverlanders, en dergelijke gerekend worden. Bij de stamboeken van de Sociedad Rural wordt dezelfde onderscheiding gemaakt, waardoor ons vee een pré gegeven wordt, daar stieren van het boek voor Hollandsch-Friesch vee dienst mogen doen voor koeien van het boek voor de variëteiten, maar niet omgekeerd.
De verschillende rassen werden in afzonderlijke klassen gekeurd, terwijl er niet, zoals steeds de gewoonte is, kampioensprijzen waren uitgeloofd. Daardoor kwam het Friesche vee, wat exterieur betreft, niet in concurrentie met anderen, wat zeer te betreuren is, daar zij het in dit opzicht gemakkelijk hadden gewonnen.



Het resultaat van de keuring was:
Oudere stieren:
Jan Nico, FRS nr. 9590, fokker G.Dokter te Achlum; 1e prijs
Tweejarige stieren:
Wilson, FRS nr. 10978, fokker M.J. Rollingswier te Ternaard, 1e prijs
Eenjarige stieren:
Sara's Goliath, fokker J.H. Veeman te Engelum 1e prijs
Titus, fokker N.S. Kingma te Boxum, 2e prijs
Johanna's Jan 11, fokker, A.L. de Witte te Roordahuizum 3e prijs
Oudere koeien:
Jantje XXXVI, FRS nr. 26157, fokker K.B. Bierma te St. Jacobi Parochie, 1e prijs
Aukje IV, FRS nr. 33143 fokker L.W. Anema te Oude Bildtzijl, 1e prijs (ras type)
2e prijs (melk type)
Jitke, FRS nr. 19782 fokker H.F. Gerbens te Lieve Vrouwen Parochie, 2e prijs (ras type)
1e prijs (melk type)
Andere koeien:
Geertje III, fokker K.L Kuperus te Engelum 1e prijs
Koopmans 54, fokker E. Kooistra te Hijlaard 2e prijs
Maaike 29, fokker C.J. Blanksma te Pingjum 3e prijs
Neeltje 9, fokker B.Miedema te Leeuwarden 3e prijs



Het Melk-concours.
Met groote zorg zagen de aanwezige Hollanders dit 5-daagsche concours tegemoet. Van de Friesche dieren namen eenige eerst kalfskoeien van den heer Villanueva en drie koeien van het Friesch Fokvee-bureau aan het concours deel. De laatste dieren hadden zeer door de reis geleden, omdat zij gedurende den eersten tijd in de quarantaine slechts zeer weinig melk gaven. Wel hadden zij zich na afloop der dertig dagen gedeeltelijk hersteld, maar in wedstrijdconditie waren zij toch zeker niet. Tijd van voorbereiding op het tentoonstellingsterrein zelf ontbrak geheel.
Met begrijpelijke angst zagen wij naar de koeien van de groote melkerij 'La Martone', die met een aantal zeer melkvormige, geheel geprepareerde Holstein Friesians, ons de loef dreigde af te steken. Gelukkig liet men de moed niet zakken, zorgd de heer Waller voor prima voedering en deden de Friesche melkers hun uiterste best. Wanneer met weet dat de koeien gedurende het concours iederen dag meer dan 1 K.G. in melk wonnen, dan begrijpt men hoe weinig zij in wedstrijdconditie waren. De regeling van het concours was voortreffelijk, 's morgens en 's avonds om 6 uur stond voor iedere koe een melkbus klaar en was een controleur aanwezig. De weging van de melk en de monstername geschiedde in het publiek. Het resultaat overtrof onze verwachting, wel beheelden we niet de hoogste melkopbrengst, die door de bovengenoemde “Martona' gewonnen werd, maar toch kregen wij de oudere koeien een 2e, 3e en vierde prijs, terwijl ook de hoogste prijs voor de grootste boteropbrengst aan de Friesche koe Aukje ten deel viel. Verder wonnen de 3 koeien Aukje, Jifke en Fetje de “Copa Nareiso P. Lozano'. Uitgeloofd voor de groep van 3 koeien van één eigenaar met het hoogste aantal punten voor melkopbrengst en vetgehalte.
Het volgende staatje geeft een overzicht van het resultaat van het melkconcours, voorzover betreft de beste Friesche koeien en de beste zwart bont Amerikanen. Andere rassen toch gaven zoveel minder, dat een vergelijking niets interessants heeft.



Naam: - geboortejaar – kg melk per dag – kg botervet in 5 dagen – vetpercentage – aantal punten
Aukje IV – 1917 – 26,580 – 5,484 – 4,13 % - 485.19.20
Jitke – 1910 – 25,460 – 4,137 – 3,25 % - 420.10.50
Fetje III - 1919 – 24,580 – 4,169 – 3,39 % - 412.57.60



Bonair Ormsbij – 1913 – 31,580 – 4,485 – 2,84 % - 495.23.40
M-Segis Peibede – 1916 – 22,700 – 3,285 – 2,89 % - 358.94.80
La 7 - 1911 – 24,600 – 3,673 – 2,99 % - 392.95.60




De overwinning in boteropbrengst was dus absoluut.



Dat het vee niettegenstaande de ongunstige omstandigheden, waaronder het in het concours trad, zich er zoo doorsloeg, heeft op het publiek inderdaad indruk gemaakt en gaf ons een prachtig middel aan de hand om te sijzen op het weerstandsvermogen en de aangeboren melkrijkheid.
Was het vee in beter conditie aangekomen, dan was de prijs voor de hoogste melkopbrengst zeer zeker ook ons deel geweest. Men vergete echter niet de Holwtein-Frisian koe, die dezen prijs won, niet gerekend kan worden tot de hoogste melkgeefster van dit ras. Cijfers, die mij uit betrouwbare bron uit Noord-Amerika werden meegedeeld, geven mij de overtuiging dat wij wel zeer ernstig ons best moeten doen, zal het Nederlandsche vee zijn naam van het beste melkras ter wereld behouden.
De belangstelling voor ons vee was groot, het stukkige, de goede, diepe, soliede bouw en de fraaie opbrengst cijfers maakten indruk. Ik ben er dan ook van overtuigd dat ons vee zich door deze tentoonstelling een aantal nieuwe fokkers van dit ras in Argentinië heeft verzekerd. Daarbij hebben de aanwezige Hollanders al het mogelijke gedaan om reclame te maken, zowel door artiekeln in de bladen als door verspreiding van literatuur over ons vee, waarbij de brochure van het Friesch Folvee-bureau veel opgang gemaakt heeft. Bovendien heeft de film van het Friesch Rundveestamboek haar werk verricht.
Op de vekooping na de tentoonstelling bleek ook de groote belangstelling voor ons vee. Terwijl op dierenvan andere rassen feitelijk geen enkel aannemelijk bod kwam, werden de Friesche stieren goed verkocht, vorral wanneer men daarbij de gedrukte stemming in den veehandel in aanmerking neemt. Zes éénjarige stieren werden voor de volgende prijzen verkocht (met tussen haakjes de prijs die bij de koop aan de fokker is betaald):
Willem van J.Wassenaar te Jelsum ƒ 4.300 (ƒ 1.000)
Verwachting van A.L. de Vries te Hichtum ƒ 2.100 (ƒ 700)
Amalia's Friso van K.N. Kuperus te Marssum ƒ 3.900 (ƒ 1.200)
Herman van A.F. gerbens te Menaldum ƒ 7.300 (ƒ 1.200)
Marssumer van W.S. Veeman te Marsum ƒ 4.500 (ƒ 725)
Albert Gerard van Jan Boersma te Friens ƒ 6.100 (ƒ 1.000)
Een enterstier van de Firma Schaap werd onderhands verkocht voor ƒ 6.650
De twee-jarige stier Wilson werd ingehouden voor ƒ 7.600. Het is mij ten duidelijkst gebleken dat men hier goede prijzen wil betalen wanneer de qualiteit werkelijk eerste klas is. Het verschil in prijs tusschen eerste en tweede klas dieren is veel grooter dan bij ons.
Zonder twijvel zouden de enkele koeien van het Fokvee-bureau een flinken prijs hebben opgebracht wanneer niet van de zijde van de Firma Kuperus de levering van vee uit Friesland voor lager prijs was aangeboden. Nu bleven ze onverkocht, zij werden ingehouden Dat laatste is uit reclame oogpunt belangrijk te verklaren boven het verkoopen van dergelijke goede exemplaren voor een langen prijs.



Daarna volgt nog een oordeel van de heer Waller over de verschillende dieren en zijn bezoeken aan de fokkers in Friesland. Hij is daarbij vrij kritisch. Een gedeelte van het gezonden vee vindt hij niet goed genoeg om naar de tentoonstelling gezonden te worden en dat gaat dan rechtstreeks naar de “Overa Negra'. Dit is mogelijk het bedrijf, de estancia, van de heer Waller, waar hij met Fries vee fokt. Echter kan deze conclusie niet rechtstreeks gevonden worden in dit verslag.
In zijn oordeel over de koe Gerbens noemt hij terloops ook nog 'Gerbens, de mooie koe van Smeding viel uit, gaf bijna geen melk en op raad van Hoytinga, een der Friesche veeverzorgers, die alle lof toekomt voor zijn uitstekend werk, was haar kalf bij haar gelaten' en is direct naar 'Overa Negra' gegaan..



Het verslag was ondertekend door H.L.B. (Rijksveeteeltconsulent in Friesland Ir. H. Leignes Bakhoven).


Laatst gewijzigd op 15 december 2016